| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
![]() |
![]() |
|
Een haalbare doelstelling | |
||||||||||
| |
Het prijskaartje | |
||||||||||||
| |
Onderwijs in landen in crisis | |
||||||||||||
| |
Nationale EFA-actieplannen | |
||||||||||||
| |
Alfabetisering en niet-formeel onderwijs | |
||||||||||||
| |
Onderwijs voor meisjes en vrouwen | |
||||||||||||
![]() |
|
Gezondheid op school | |
|||||||||||
| |
HIV/AIDS en onderwijs | |
||||||||||||
| |
De rol van de civil society | |
||||||||||||
| |
||||||||||||||
| |
Het prijskaartje
Volgens de Wereldbank wordt slechts 3% van de onderwijsbudgetten in ontwikkelingslanden door de internationale gemeenschap gespendeerd. Andere ramingen gaan uit van een cijfer van 10%, terwijl dit in sommige landen zelfs kan oplopen tot 40%. Alhoewel de landen het leeuwenaandeel van hun onderwijssystemen zelf zullen blijven bekostigen, zal externe financiering van vitaal belang zijn om ervoor te zorgen dat ze hun EFA-inspanningen kunnen opvoeren. De teruggang in de jaren 1990Ondanks de beloften van de internationale gemeenschap in Jomtien (Thailand, 1990), werden de officiële ontwikkelingshulp en de leningen in het midden van de jaren negentig sterk teruggeschroefd, alhoewel de situatie in de laatste jaren licht verbeterd is. In percentage van het BNP van de OESO/DAC-landen, daalde de officiële ontwikkelingshulp met meer dan één vijfde uitgedrukt in constante dollars, waarbij in 1999 een licht herstel kon worden vastgesteld. Gezien de dringendheid waarmee de doelstellingen van Onderwijs voor Allen moeten worden verwezenlijkt, is deze achteruitgang verontrustend. Zelfs in de minst ontwikkelde landen was de tendens dalend. De grootste achteruitgang werd vastgesteld in Afrika ten zuiden van de Sahara, namelijk met zowat één derde. Vier van de belangrijke economische grootmachten - Frankrijk, Duitsland, Japan en de Verenigde Staten - lieten de grootste daling van hun hulp optekenen tijdens de jaren 1990. Alhoewel het opmerkelijk is dat het onderwijs verhoudingsgewijs het minst lijkt te hebben geleden onder deze algemene teruggang, werd er evenmin een stijging genoteerd. Anderzijds blijft basisonderwijs een onbeduidend deel vormen van de ontwikkelingshulp aan de diverse landen. Het antwoord van DakarHet Actieplan van Dakar dringt aan op de noodzaak van systematische externe financiering. In Dakar werd de volgende verklaring afgelegd: "We bevestigen dat geen enkel land dat inspanningen onderneemt voor onderwijs voor allen bij de verwezenlijking van deze doelstelling mag worden gehinderd door een tekort aan middelen". Verder wordt ook aangedrongen op een wereldwijd initiatief om de strategieën te formuleren en de middelen bijeen te brengen die nodig zijn om de nationale EFA-inspanningen doeltreffend te ondersteunen. Het wereldwijde initiatiefHet wereldwijde initiatief is gebaseerd op een gezamenlijk begrip tussen ontwikkelingspartners en landen dat op de volgende basisprincipes is gesteund:
EFA is betaalbaarDe Wereldbank, de UNESCO en andere organisaties hebben berekend welke de vermoedelijke bijkomende EFA-financieringsbehoeften van de diverse landen zijn om universeel basisonderwijs te kunnen garanderen. De huidige wereldwijde ramingen schommelen tussen de 8 miljard USD per jaar van OXFAM en de 15 miljard van het Bureau voor de Statistiek van de UNESCO. Zelfs als we de hoogste raming - van 15 miljard - per jaar als realistisch aannemen, dan nog zouden de kosten voor de verwezenlijking van Onderwijs voor Allen minder dan 0,3% van het totale BNP van de ontwikkelingslanden, 0,06% van dat van de ontwikkelde en 0,05% van het BNP voor alle landen ter wereld samen bedragen. Als we weten dat de officiële ontwikkelingshulp voor de periode 1997-1998 gemiddeld slechts 703 miljoen USD bedroeg, dan is het tekort qua middelen vergeleken met het laagste cijfer dat vereist is, namelijk 8 miljard USD, flagrant. Wat wordt er voorgesteld?Slechts vijf landen - Denemarken, Nederland, Noorwegen, Zweden en Luxemburg (in het geval van Luxemburg uitgaande van voorlopige cijfers voor het jaar 2000) - leven op dit moment de doelstelling van de VN van 0,7% of meer van het BNP voor internationale ontwikkelingshulp na. Alle ontwikkelingspartners moeten deze verbintenis niet alleen naleven, maar tegelijk ook het aandeel daarvan dat voor basisonderwijs is bestemd opdrijven. Een ander voorstel verhoogt de officiële ontwikkelingshulp voor sociale basisvoorzieningen van de huidige 10% tot 20% op basis van een 20-20 Initiatief dat aanbeveelt dat ontwikkelingspartners 20% van hun internationale hulp en de ontvangende landen 20% van hun begroting aan sociale basisvoorzieningen besteden. De ondersteuning voor het onderwijs in landen in crisis en in noodsituaties moeten nu worden aangepakt. De EFA-partners moeten samen creatieve manieren vinden om deze landen te steunen en daardoor hun gezamenlijke wil te kennen geven om de in Dakar aangegane verbintenis effectief in de werkelijkheid om te zetten.
|
|
||||||||||||
![]() UNESCO@vlaanderen vzw, Edg. Farasijnstr. 32, B-8670 Koksijde, tel/fax:+32(0)58/514479 |
||||||||||||||
|
Over de website:
![]() |
||||||||||||||