We moeten de opzettelijke vernieling van cultureel erfgoed benaderen vanuit een mensenrechtperspectief. Dat is de boodschap van een nieuw rapport voor de VN.

“Cultureel erfgoed is belangrijk in het heden, zowel als een boodschap van het verleden en als een pad naar de toekomst. Bekeken van een mensenrechtenperspectief, is het niet alleen belangrijk op zichzelf maar ook in relatie tot de menselijke dimensie ervan,” zegt Karima Bennoune. Als VN-Speciaal Rapporteur voor Culturele Rechten beschouwt ze de opzettelijke vernieling van cultureel erfgoed als een dringende prioriteit. Het is het onderwerp van haar eerste thematische rapport dat ze voorstelt aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 27 oktober 2016.

De hoofdboodschap van het rapport is dat cultureel erfgoed een mensenrechtenkwestie is die vanuit een mensenrechtenperspectief moet worden benaderd. Afgezien van de bescherming van een object of een uiting, houdt een benadering vanuit mensenrechtenperspectief in dat er moet worden rekening gehouden met de rechten van individuen en bevolkingen in relatie tot cultureel erfgoed. Het is onmogelijk om het cultureel erfgoed van een volk te scheiden van de bevolking zelf en van hun rechten.

Vernieling van cultureel erfgoed is als een moordaanslag.

Het is zeker ook de manier waarop cultureel erfgoed vaak wordt ervaren door de lokale bevolking. Haider Oraibi, directeur van het Nationaal Museum van Irak, zou naar verluidt gehuild hebben toen hij vernam dat IS de relikwieën van Irak had vernield. “Het zijn maar standbeelden, maar voor ons zijn het levende wezens. We kwamen uit hen voort, we zijn een deel van hen. Het is onze cultuur en ons geloof,” zei hij. Toen extremisten het museum van Mosoel aanvielen, reageerde hij, “Het is alsof iemand je wel doden, als een moord.” In deze woorden hoor je hoeveel pijn en lijden wordt veroorzaakt door dergelijke vernielingen en hoe ze een feite een aanslag zijn op de menselijke waardigheid en de mensenrechten.

Verdediging van de beschermers van cultureel erfgoed

Een aanverwante, en cruciale, kwestie is de bescherming van de verdedigers van cultureel erfgoed die gevaar lopen, zoals degenen die het Nationaal Museum van Afghanistan hebben samengesteld en beschermd doorheen decennia van oorlog. Ze werkten onvermoeibaar aan het herstel van de beschadigde stukken die konden worden gered nadat de taliban in 2001 zo'n 2 750 cultuurobjecten vernielden.

Sommige mensen bekochten de bescherming van cultureel erfgoed met hun leven. Zoals Aida Buturovic, die werkte in de Nationale en Universiteitsbibliotheek van Sarajevo en stierf toen ze samen met collega's zeldzame boeken probeerde te redden toen de bibliotheek werk beschoten met mortieren in 1992. Ook recent vielen er slachtoffers te betreuren. Zoals Anas Radwan, een jonge Syrische architect die in 2013 gedood werd door een vatbom toen hij de schade aan het erfgoed in de oude stad van Aleppo aan het documenteren was, of Khaled al-Saadn de Syrische archeoloog die in 2015 stierf omdat hij Palmyra verdedigde, of Berta Cáceres, een bekend voorvechter van inheemse rechten en inheems erfgoed, met inbegrip van natuurlijk erfgoed, die in maart 2016 werd doodgeschoten in Honduras. En zo zijn er nog veel mensen die vandaag onder de rader in gevaarlijke omstandigheden werken. Ik breng hulde aan ieder van hen. We mogen niet wachten tot we rouwen om de verdedigers van cultureel erfgoed om ons voor hun zaak in te zetten. Het gaat ook om gewone mensen, zoals de vrouwen die ik zag in Noord-Afrika: ze sliepen om beurten in een mausoleum om het te beschermen nadat het was aangevallen.

Mensen zijn gestorven omdat ze cultureel erfgoed beschermden.

Mensen zoals zij zijn de bewakers van het cultureel erfgoed, en ze zijn verdedigers van culturele rechten. Ze zetten vaak hun eigen veiligheid en economische zekerheid op het spel om dit werk te doen. Landen moeten hun rechten respecteren en zorgen voor hun veiligheid. Maar ze moeten ook, door middel van internationale samenwerking, zorgen voor de nodige voorwaarden deze mensen hun taak kunnen uitvoeren, zoals alle benodigde materialen en technische bijstand, hen asiel verlenen wanneer nodig en ervoor zorgen dat, als ze ontheemd zijn, ze hun werk kunnen voortzetten voor de bescherming en de wederopbouw van het cultureel erfgoed van hun land.

Ik pleit ook voor een volledig gendergevoelige aanpak van de bescherming van cultureel erfgoed. Dat houdt in: het erkennen van het werk van vrouwen ter verdediging van cultureel erfgoed, het bestrijden van de bijzondere uitdagingen waarmee vrouwen geconfronteerd worden bij de toegang tot cultureel erfgoed, en ervoor zorgen dat hun cultureel erfgoed ook als dusdanig erkend wordt.

Cultureel erfgoed is een fundamentele bron voor andere mensenrechten

Het recht op toegang tot, en het genot van, cultureel erfgoed is een mensenrecht gewaarborgd door het internationaal recht, en het moet ernstig genomen worden. Zoals de Mensenrechtenraad recent benadrukte in zijn resolutie 33/20 (2016) over “culturele rechten en de bescherming van cultureel erfgoed”, “de vernietiging of de beschadiging van cultureel erfgoed kan een schadelijke en onomkeerbare invloed hebben op het genieten van culturele rechten.”

Bovendien is cultureel erfgoed een fundamentele bron voor andere mensenrechten, met inbegrip van het recht op vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, alsmede van de economische rechten van de vele mensen die de kost verdienen door middel van toerisme dat verbonden is met dergelijk erfgoed. Het is essentieel om te begrijpen dat materieel en immaterieel erfgoed nauw met elkaar zijn verbonden en dat aanvallen op het ene vaak gepaard gaan met een aanslag op het andere. Bovendien is het zo dat een een specifiek aspect van erfgoed bepaalde verbindingen kan hebben met bepaalde groepen mensen, maar eigenlijk de hele mensheid een band heeft met dergelijke objecten omdat deze behoren tot het “cultureel erfgoed van de hele mensheid” in al zijn diversiteit.

Bestaande regels voor bescherming worden onvoldoende toegepast.

Ondanks het bestaan van een speciaal beschermingsstelsel voor het regelen van de bescherming van erfgoed in geval van een gewapend conflict, moet er nog veel worden gedaan om deze normen te implementeren. De kernnormen omvatten het Verdrag van Den Haag van 1954 en de bijhorende Protocollen. Staten die partij zijn bij het Verdrag van Den Haag verbinden zich ertoe om culturele eigendom te respecteren, om zich te onthouden van elke daad van vijandigheid gericht ertegen en om zich te onthouden van elke gebruik dat het blootstelt aan dergelijke daden, met uitzondering van dwingende militaire noodzakelijkheid. Het Tweede Protocol versterkt deze regel door de uitzonderingen van de militaire noodzakelijkheid verder te beperken.

Toch hebben veel staten zich niet gehouden aan deze normen, in het bijzonder niet aan het Tweede Protocol. Er zijn verontrustende berichten van schendingen van deze bepalingen in recente conflicten. Ik roep staten op om te erkennen dat elke militaire noodzakelijkheid die een uitzondering vormt op het verbod om culturele eigendom als doelwit te gebruiken, strikt moet worden geïnterpreteerd, rekening houdend met de invloed op culturele rechten. Alle militaire beslissingen die leiden tot beschadiging van cultureel erfgoed moeten nauwkeurig onderzocht worden. Naast het aanpakken van de rol van de staten moet ook aandacht worden besteed aan de strikte toepassing van internationale normen zoals artikel 19 van het Verdrag van Den Haag (over conflicten niet van internationale aard – n.v.d.r.) – en voor het ontwikkelen van andere strategieën – om niet-statelijke actoren aansprakelijk te stellen en om te verhinderen dat ze overgaan tot vernielingen.

Culturele oorlogsvoering

Belangrijk is dat er individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid voortvloeit uit ernstige misdrijven tegen cultureel erfgoed. Ik was blij met het besluit van het Parket van de Aanklager van het Internationaal Strafhof om de vernietiging van culturele en religieuze sites te vervolgen als een  oorlogsmisdaad in het geval van Ahmed Al-Faqi Al-Mahdi, die onlangs schuldig is bevonden. Ik onderschrijf de conclusie van de uitspraak dat het misdrijf in kwestie van een “significante ernst” was. Ik hoop van harte om soortgelijke vervolgingen in de toekomst te zien en daartoe herinner ik staten aan de essentiële noodzaak om van dergelijke misdaden bewijzen te verzamelen en te bewaren.

In mijn rapport geef ik voorbeelden van recente daden van vernieling die de plaatselijke bevolking diep troffen. Dit zijn slechts enkele voorbeelden. Er komen steeds meer berichten uit vele delen van de wereld van een vergelijkbaar patroon van aanvallen door staten en niet-statelijke actoren. Er is helaas een lange geschiedenis van zulke daden in alle regio's van de wereld, zowel in oorlogen, revoluties en repressies. Aan het begin van de 21ste eeuw zien we echter een nieuwe golf van opzettelijke vernielingen, waarvan het effect versterkt wordt door de brede verspreiding van de beelden van wat er is aangericht. Dergelijke daden worden vaak openlijk verkondigd en gerechtvaardigd door de daders en zijn een vorm van culturele oorlogsvoering tegen de bevolking die ik in de strengst mogelijke verwoordingen veroordeel. Dergelijke aanvallen vormen een dringende uitdaging voor de culturele rechten die een snelle en doordachte internationale reactie vereist, onder meer door het mensenrechtensysteem van de VN.

Een kwestie van menselijke waardigheid

Daden van opzettelijke vernieling gaan vaak gepaard met andere ernstige aanslagen op de menselijke waardigheid en de mensenrechten. Ze moeten worden aangepakt in de context van holistische strategieën voor de bevordering van de mensenrechten en vredesopbouw. De bescherming van cultureel erfgoed moet deel uitmaken van de mandaten van vredesmissies. Onze bekommernis voor de vernietiging van erfgoed moet samengaan met onze grote bezorgdheid voor het vernietiging van het leven van de bevolking.

Daden van opzettelijke vernietiging berokkenen iedereen schade en hebben vaak een onevenredige impact op mensen die tot minderheden behoren. Ze dragen bij tot onverdraagzaamheid en beroven de mensheid van de rijke verscheidenheid van het cultureel erfgoed. Sites die getuigen van de vriendschap en de interacties tussen groepen worden bijzonder in het vizier genomen.

De vernietiging van erfgoed berooft de mensheid van de rijke culturele diversiteit.

Er zijn veel voorbeelden waarbij de vernietiging deel uitmaakt van de “culturele techniek” die verschillende extremisten beoefenen. Om deze vormen van vernieling van cultureel erfgoed aan te pakken, moet de internationale gemeenschap, in overeenstemming met de internationale normen inzake mensenrechten, de strijd aanbinden tegen extremistische en fundamentele ideologieën, sektarisme en discriminerende houdingen ten opzichte van onder meer mensen met verschillende opvattingen, minderheden of inheemse volkeren, die vaak leiden tot culturele zuivering in de vorm van de vernietiging van cultureel erfgoed.

Sommige van de schendingen die ik hierboven beschreef, kregen de verdiende internationale aandacht in de afgelopen jaren. Toch stel ik vast dat er in verschillende regio's daden van vernietiging van cultureel erfgoed aan de gang zijn, die aan de internationale aandacht ontsnappen en die in het bijzonder gericht zijn tegen inheemse culturen. Daarom moeten we niet alleen nu reageren op het Palmyra moment als het ware, maar dit moment aangrijpen om de aandacht te vestigen op andere patronen van erfgoedvernietiging, in het verleden en heden, die eveneens schendingen van de mensenrechten vormen. In het rapport wijs ik bijvoorbeeld op de pijnlijke geschiedenis van de vernietiging van verschillende vormen van inheems cultureel erfgoed in veel delen van de wereld als een systematisch onderdeel van, onder meer, het kolonialisme of het nationalistisch beleid in postkoloniale staten. Ik stel vast dat het geheel van deze daden langdurige gevolgen hadden voor de mensenrechten van vele inheems volkeren in verschillende geografische contexten.

Cultureel erfgoed is onvervangbaar.

Tot slot wil ik nogmaals benadrukken hoe belangrijk het is om de vernietiging van cultureel erfgoed te beschouwen als een mensenrechtenkwestie, ook in geval van conflicten, wanneer het recht met betrekking tot de mensenrechten een noodzakelijk aanvulling vormt van het internationaal humanitair recht. Als cultureel erfgoed is vernietigd, heeft dit grote gevolgen voor een breed scala van mensenrechten van huidige en toekomstige generaties. Cultureel erfgoed is een gedachtenis van het genie van de mens, dat wat we achterlaten voor de volgende generaties om onze stempel op de wereld te drukken, en is gewoonweg onvervangbaar, zelfs in dit digitale tijdperk. Laten we samen werken aan de bescherming ervan, met aandrang en bedachtzaamheid.

Karima Bennoune

De auteur is hoogleraar internationaal recht aan de Universiteit van California-Davis School of Law. Ze groeide op in Algerije en de Verenigde Staten en woont nu in het noorden van Californië. Ze werd benoemd tot VN-Speciaal Rapporteur voor Culturele Rechten in oktober 2015.