In veel landen blijft het moeilijk voor meisjes om van hun fundamenteel recht op onderwijs te genieten. Unesco benoemt de pijnpunten en stelt maatregelen voor.

Op Internationale Vrouwendag (8 maart) heeft Unesco een rapport voorgesteld dat de oorzaken blootlegt van waarom er nog steeds zo weinig gendergelijkheid is in het onderwijs. Het rapport geeft ook aan wat er moet gebeuren om vooruitgang te boeken op dit vlak.

Te weinig belangstelling voor internationale verdragen

Het rapport neemt de situatie in 189 landen onder de loep. Een van de bevindingen is dat slechts 44% van de landen partij zijn bij internationale verdragen om genderpariteit in het onderwijs te realiseren. Het ratificeren van een dergelijk verdrag is geen garantie op genderpariteit maar biedt landen wel een kader om daarvoor een beleid uit te werken. Tevens zorgt het ervoor dat overheden verantwoording moeten afleggen. Daarom vinden de auteurs van het rapport het belangrijk dat zoveel mogelijk landen zich aansluiten bij deze verdragen.

Het is de taak van regeringen om wetten aan te nemen en een beleid te voeren om ervoor te zorgen dat meisjes minder obstakels moeten overwinnen om naar school te gaan en dat ze daar gelijk behandeld worden. Maar in veel landen bestaan wetten die kindhuwelijken toestaan en die zwangere meisjes verbieden om naar school te komen. Dergelijke wetten vormen een schending van het recht op onderwijs.

Maatregelen om genderpariteit te bevorderen

Uit het rapport blijkt dat 34% van de landen geen genderpariteit bereiken in het basisonderwijs. Voor het lager en hoger secundair onderwijs zijn de cijfers nog slechter: respectievelijk 55% en 75% van de landen blijven in gebreke. Het stelt verschillende maatregelen voor om belemmeringen voor meisjes weg te nemen en om regeringen verantwoordelijk te houden voor genderongelijkheden. Deze omvatten periodieke herziening van curricula, leerboeken en lerarenopleidingsprogramma's; adequate schoolinfrastructuur, inclusief gescheiden sanitaire voorzieningen voor meisjes en jongens; verhoogde vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities in het onderwijs; krachtiger beleid om schoolgebonden gendergerelateerd geweld aan te pakken; en gedragscodes voor studenten en docenten.