De Vlaamse regering selecteerde drie projecten voor het Vlaams UNESCO Trustfonds. Het gaat om projecten voor capaciteitsopbouw rond immaterieel cultureel erfgoed in Afrika, voor het uitvoeren van mariene ruimtelijke planning in oceanografische toplocaties en voor het bestendigen van de relaties en de samenwerking tussen Unesco, de Europese Unie en Vlaanderen.

Immaterieel cultureel erfgoed

De Algemene Conferentie van Unesco nam in 2003 de Conventie betreffende de borging van het immaterieel cultureel erfgoed aan. Dit verdrag wil de visibiliteit van immaterieel cultureel erfgoed (ICE) verhogen en de bijdrage ervan tot culturele diversiteit en tot duurzame ontwikkeling benadrukken. Het kernbegrip is de borging, of safeguarding: een actief proces dat ICE een toekomst geeft door kennis en vaardigheden door te geven, vertrekkende vanuit het lokale draagvlak (de erfgoedgemeenschap).

De hoop leefde dat door middel van de Conventie van 2003 meer internationale zichtbaarheid kon worden gegeven aan het erfgoed van Afrika, een regio die traditioneel ondervertegenwoordigd is op de beroemde Werelderfgoedlijst van bijzondere monumenten en landschappen.

Vlaamse expertise exporteren

Vlaanderen geldt als een voorloper op het vlak van het vertalen van de bepalingen en de geest van de Conventie van 2003 naar het beleid. Dit is niet overal evident, vooral in zuidelijk Afrika ontbreekt de expertise voor het uittekenen van een wettelijk beleidskader voor de implementatie van de Conventie en voor het inventariseren van immaterieel cultureel erfgoed.

Het Vlaams UNESCO Trustfonds ondersteunt een project dat gericht is op het verschaffen van opleiding aan 70 trainers verspreid over zeven landen: Botswana, Lesotho, Malawi, Namibiƫ, Swaziland, Zambia en Zimbabwe. Zij kunnen op hun beurt hun verworven kennis en expertise delen met collega's zodat er een duurzaam netwerk ontstaat van deskundigen die het immaterieel cultureel erfgoed-beleid in zuidelijk Afrika kunnen ondersteunen en uitbouwen.

Ruimtelijke planning op zee

Een tweede project draait rond het verzekeren van de duurzaamheid op lang termijn van oceanografische toplocaties. Het gaat met name om mariene gebieden van uitzonderlijke universele waarde die vallen onder de bescherming van de Werelderfgoedconventie van Unesco of die daarvoor in aanmerking komen. Dergelijke gebieden zijn kwetsbaar en worden bedreigd door klimaatverandering, overbevissing, vervuiling en andere gevaren.

Het project zet volop in op het toepassen van 'ecosysteem-gestuurde Mariene Ruimtelijke Planning' (MRP). Het betreft een conceptuele methode voor het duurzaam beheer van mariene gebieden die is ontwikkeld door de Intergouvernementele Oceanografische Commissie (IOC) van Unesco op basis van onderzoek verricht door de Universiteit van Gent.

Er komen regionale trainingen en workshops voor de uitwerking van mariene ruimtelijke plannen, met inbegrip van onder meer de strijd tegen illegale visvangst en schadelijke baggerwerken.

Samenwerking met en tussen Unesco en de EU

In 2011 opende de directeur-generaal van Unesco, Irina Bokova, een nieuw verbindingskantoor van Unesco in Brussel om een nauwere samenwerking tussen Unesco en de Europese Unie tot stand te brengen en de zichtbaarheid van de organisatie in het Europese landschap te verhogen. Sinds 2012 wordt er een personeelslid van het Departement internationaal Vlaanderen (DIV) tewerkgesteld met een secondment contract, gefinancierd vanuit het Vlaams UNESCO Trustfonds. Deze detachering wordt verlengd.

Vlaanderen sloot in 1998 een samenwerkingsovereenkomst met Unesco. Deze overeenkomst heeft als hoofddoel het verwezenlijken van een ware partnerschap tussen beide partijen: Unesco kan rekenen op Vlaamse expertise, financiƫle middelen en netwerken, terwijl de Vlaamse regering beroep kan doen op Unesco's netwerk, advies en knowhow. Om de samenwerking te stroomlijnen werden er door Vlaanderen twee trustfondsen opgericht: het Wetenschappelijk Trustfonds en het Algemene Trustfonds dat zich voornamelijk toelegt op erfgoed en Afrika. Eerder dit jaar kende de Vlaamse regering een bijdrage toe van 900 000 euro voor de periode 2015- 2016 aan het Algemene Trustfonds.