Je bent hier:

Belgisch Werelderfgoed

Cultuur

Ons land ratificeerde de Conventie betreffende het Werelderfgoed pas eind 1996, vandaar dat het zo lang duurde vooraleer er sprake kon zijn van Belgisch werelderfgoed. Maar sinds de 22e zitting van het Werelderfgoedcomité in het Japanse Kyoto is het eindelijk zover: de Vlaamse begijnhoven, de Brusselse Grote Markt en de vier hydraulische scheepsliften van het Canal du Centre waren bij de 30 nieuwe sites die een stek krijgen op de Lijst van het Werelderfgoed.

Prestige

Opgenomen worden op de Lijst van het Werelderfgoed levert geen financiële voordelen op, het is veeleer een prestigezaak. De Belgische sites staan nu op dezelfde lijst waar bijvoorbeeld ook de Egyptische piramides en de Galapagos eilanden zijn opgenomen.

Om in aanmerking te komen voor opname op de Lijst van het Werelderfgoed, moet een site getuigen van 'unieke universele waarde' en voldoen aan een aantal criteria. Op de lijst staan zowel culturele als natuurlijke sites. Naast monumenten kunnen dus ook landschappen als werelderfgoed worden erkend, en dat is uniek: de Conventie betreffende het Wereldefgoed combineert het behoud van ons cultureel erfgoed met milieubescherming. UNESCO meent immers dat natuur en cultuur elkaar aanvullen aangezien de culturele identiteit een nauwe band heeft met de natuurlijke omgeving waarin ze zich ontwikkelt.

Begijnhoven

Volgens de Vlaamse regering was de grootste troef van de begijnhoven dat het gaat om één vorm van erfgoed die typisch Vlaams is, en voorkomt in verschillende steden. Je vindt ze in Antwerpen, Herentals, Hoogstraten, Lier, Mechelen, Turnhout, Aarschot, Diest, Leuven, Overijse, Tienen, Borgloon, Sint-Truiden, Tongeren, Diksmuide, Brugge, Kortrijk, Aalst, Dendermonde, Gent, Sint-Amandsberg en Oudenaarde.

Het concept van de begijnhoven was dat van een stad in de stad. Ze waren afgesloten door een poort met vaak monumentale allures. De ongehuwde vrouwen die er woonden worden beschouwd als de eerste feministes. Ze waren veel zelfstandiger dan de andere vrouwen van hun tijd en waren democratisch georganiseerd.

13

Omdat één enkel begijnhof nooit representatief kan zijn voor de ganse beweging, koos de ICOMOS (orgaan dat de UNESCO adviseert inzake erfgoed, zie kader) ervoor om verschillende begijnhoven als werelderfgoed te laten erkennen. De keuze viel op die begijnhoven die het meest representatief zijn voor de traditie van de begijnen, en die het best werden bewaard. Concreet gaat het om 13 begijnhoven: Lier, Diest, Tongeren, Kortrijk, Mechelen, Sint-Amandsberg, Hoogstraten, Brugge, Dendermonde, Turnhout, Sint-Truiden, Leuven en Gent.

De ICOMOS raadt België aan om een gemeenschappelijk beleid voor de begijnhoven uit te stippelen, en om er binnen monumentenzorg prioriteit aan te geven. Concrete maatregelen die worden voorgesteld slaan ondermeer op het verkeersvrij houden van de begijnhoven. Er wordt ook op aangedrongen dat eventuele parkeerplaatsen voor auto's enkel buiten de begijnhoven worden toegelaten.

Belforten

Gesterkt door het succes van de begijnhoven diende de Vlaamse regering inmiddels al een tweede dossier in bij UNESCO. Dit keer met de bedoeling de Vlaamse belforten op de Lijst van het Werelderfgoed te krijgen. Dat dossier is vergelijkbaar met dat van de begijnhoven omdat dezelfde formule wordt gehanteerd: men kiest voor één vorm van erfgoed die in verschillende steden voorkomt. Met de kandidatuur van de belforten wil Vlaanderen wijzen op de historische stedelijke autonomie die de geschiedenis van Vlaanderen vanaf de Middeleeuwen heeft bepaald. Omdat er ook belforten zijn in Henegouwen, Zeeuws- en Frans Vlaanderen hoopt men uiteindelijk te komen tot een grensoverschrijdend cultureel erfgoeddossier.

Het dossier rond de belforten wordt momenteel onderzocht door het Werelderfgoedcomité. Als het dezelfde weg volgt als zijn voorganger rond de begijnhoven, dan kunnen we eind 1999 het glas heffen op een nieuw stuk Vlaams werelderfgoed. Wordt vervolgd.