Wat als iets niet expliciet verboden is?
Sommige vormen van druk zijn makkelijk te zien: een bedreiging, een rechtszaak of een sanctie op het werk. Andere zijn veel moeilijker vast te stellen.
Wat als een onderzoeker een onderwerp niet meer durft te bestuderen omdat een collega eerder werd bedreigd? Of beslist om geen interviews meer te geven uit angst voor de reacties? Dan is er nergens een officieel verbod. Toch beïnvloedt die angst wat onderzocht en gedeeld wordt.
Dat wordt soms het chilling effect genoemd: mensen houden zichzelf in omdat ze negatieve gevolgen verwachten.
“Dit is een van de moeilijkste aspecten om te meten, omdat het per definitie vaak gaat om zaken die niet gebeuren”, legt Vannetelbosch uit.
Je kunt moeilijk tellen hoeveel onderzoeken nooit zijn begonnen of hoeveel wetenschappers besloten iets niet te zeggen. Daarom volstaat het niet om alleen naar wetten en regels te kijken. Je moet het ook aan onderzoekers zelf vragen.
Regels op papier zijn niet genoeg
Net daar komt de UNESCO Assessment Tool on the Freedom and Safety of Scientific Researchers in beeld. Het instrument kijkt niet alleen naar wat officieel geregeld is, maar ook naar hoe wetenschappers hun eigen situatie ervaren.
Een land kan bijvoorbeeld procedures hebben om bedreigde onderzoekers te ondersteunen. Maar wat als bijna niemand weet dat die bestaan? Of als een instelling te weinig mensen of middelen heeft om snel te reageren? Dan ziet het systeem er op papier goed uit, terwijl het in de praktijk toch tekortschiet.
De Assessment Tool kijkt daarom naar vragen als: kunnen onderzoekers vrij werken? Voelen ze zich veilig? Hoe is de relatie tussen wetenschap en samenleving? Hoe groot is het vertrouwen in wetenschap? En kennen onderzoekers hun rechten en verantwoordelijkheden?
Op deze manier wil UNESCO helpen beleid om te zetten in actie.