Unesco Vlaanderen

Bedreigde wetenschappers: “Onderzoekers mogen niet het zwijgen worden opgelegd”

Gepubliceerd op 02/10/2026

Wat betekent academische vrijheid wanneer onderzoek, uitspraken of standpunten van wetenschappers op controverse botsen? Recente debatten aan Vlaamse universiteiten tonen hoe actueel die vraag is.

Maar druk op wetenschappers is niet altijd zichtbaar. Ook intimidatie, juridische druk of onzekerheid kunnen mee bepalen welke vragen onderzoekers nog durven stellen. We spraken met Carl Vannetelbosch, die binnen UNESCO werkt rond wetenschappelijke vrijheid en de veiligheid van onderzoekers.

Meer dan oorlog en vervolging

Wie denkt aan bedreigde wetenschappers, denkt misschien eerst aan onderzoekers in oorlogsgebieden of autoritaire landen. Aan mensen die worden opgesloten, vervolgd of hun land moeten ontvluchten. Dat gebeurt helaas nog altijd. Maar het is maar een deel van het verhaal.

“Vaak denken we spontaan aan gevangenschap of vervolging in conflictgebieden, maar de werkelijkheid is veel breder.”

Wetenschappers krijgen ook te maken met online intimidatie, pesterijen, reputatieschade, juridische druk of bedreigingen. Vooral wie werkt rond gevoelige of sterk gepolariseerde thema’s kan kwetsbaar zijn. Ook de professionele of financiële situatie van een onderzoeker kan meespelen. Wie afhankelijk is van tijdelijke contracten of financiering, voelt zich soms minder vrij om bepaalde vragen te stellen of gevoelige resultaten naar buiten te brengen.

En dat speelt niet alleen in autoritaire regimes. Ook in democratische landen kunnen onderzoekers onder druk komen te staan, bijvoorbeeld door politiek, bedrijven, actiegroepen of mensen op sociale media. Net daar ligt het risico: we verwachten dat wetenschappers deelnemen aan het publieke debat en hun kennis delen, maar die zichtbaarheid kan hen ook kwetsbaarder maken.

Tegen deze achtergrond heeft UNESCO een specifiek programma opgezet rond de vrijheid en veiligheid van wetenschappers. Een van de prioriteiten daarbij is om een beter beeld te krijgen van wat er precies gebeurt. In 2024 publiceerde de organisatie een studie over bedreigingen tegen wetenschappers. Daarna volgden onder meer onderzoeken naar wetenschappelijke vrijheid in zes Afrikaanse landen en naar de ervaringen van wetenschappers tijdens de oorlog in Oekraïne.

Kritiek moet kunnen. Intimidatie niet.

Wetenschappelijke vrijheid betekent niet dat wetenschappers niet tegengesproken mogen worden. Integendeel. Kritiek, debat en het in vraag stellen van resultaten horen bij wetenschap.

Waar ligt dan de grens?

“Ideeën mogen en moeten worden uitgedaagd, maar onderzoekers mogen niet het zwijgen worden opgelegd”, zegt Vannetelbosch.

Die grens wordt overschreden wanneer kritiek verandert in intimidatie. Bijvoorbeeld wanneer iemand wordt bedreigd met geweld, voortdurend wordt lastiggevallen of onder druk wordt gezet om onderzoek niet uit te voeren of resultaten niet te publiceren. Ook professionele vergelding kan een rol spelen, bijvoorbeeld wanneer een onderzoeker vreest voor zijn of haar functie, financiering of verdere loopbaan.

Tegelijk is wetenschappelijke vrijheid geen vrijgeleide om zomaar alles te doen. De UNESCO-Aanbeveling over wetenschap en wetenschappelijke onderzoekers uit 2017 koppelt vrijheid ook aan wetenschappelijke integriteit, ethiek en verantwoordelijkheid tegenover de samenleving.

Wat als iets niet expliciet verboden is?

Sommige vormen van druk zijn makkelijk te zien: een bedreiging, een rechtszaak of een sanctie op het werk. Andere zijn veel moeilijker vast te stellen.

Wat als een onderzoeker een onderwerp niet meer durft te bestuderen omdat een collega eerder werd bedreigd? Of beslist om geen interviews meer te geven uit angst voor de reacties? Dan is er nergens een officieel verbod. Toch beïnvloedt die angst wat onderzocht en gedeeld wordt.

Dat wordt soms het chilling effect genoemd: mensen houden zichzelf in omdat ze negatieve gevolgen verwachten.

“Dit is een van de moeilijkste aspecten om te meten, omdat het per definitie vaak gaat om zaken die niet gebeuren”, legt Vannetelbosch uit.

Je kunt moeilijk tellen hoeveel onderzoeken nooit zijn begonnen of hoeveel wetenschappers besloten iets niet te zeggen. Daarom volstaat het niet om alleen naar wetten en regels te kijken. Je moet het ook aan onderzoekers zelf vragen.

Regels op papier zijn niet genoeg

Net daar komt de UNESCO Assessment Tool on the Freedom and Safety of Scientific Researchers in beeld. Het instrument kijkt niet alleen naar wat officieel geregeld is, maar ook naar hoe wetenschappers hun eigen situatie ervaren.

Een land kan bijvoorbeeld procedures hebben om bedreigde onderzoekers te ondersteunen. Maar wat als bijna niemand weet dat die bestaan? Of als een instelling te weinig mensen of middelen heeft om snel te reageren? Dan ziet het systeem er op papier goed uit, terwijl het in de praktijk toch tekortschiet.

De Assessment Tool kijkt daarom naar vragen als: kunnen onderzoekers vrij werken? Voelen ze zich veilig? Hoe is de relatie tussen wetenschap en samenleving? Hoe groot is het vertrouwen in wetenschap? En kennen onderzoekers hun rechten en verantwoordelijkheden?

Op deze manier wil UNESCO helpen beleid om te zetten in actie.

Wie helpt als het misgaat?

Stel dat een onderzoeker bedreigingen krijgt vanwege zijn of haar werk. Wie moet dan ingrijpen? De universiteit? De overheid? De politie? De financier? Een sociaalmediaplatform?

Volgens Vannetelbosch is het beschermen van wetenschappelijke vrijheid een gedeelde verantwoordelijkheid. Overheden moeten een omgeving creëren waarin wetenschappers vrij en veilig kunnen werken. Universiteiten en onderzoeksinstellingen hebben een directe verantwoordelijkheid tegenover hun personeel en studenten. En wanneer bedreigingen online plaatsvinden, hebben ook digitale platformen een rol te spelen.

Maar vooral de samenwerking tussen al die spelers kan beter. Bedreigingen worden niet altijd gemeld. Onderzoekers weten soms niet waar ze terechtkunnen. En instellingen komen soms pas in actie wanneer een situatie al uit de hand is gelopen.

“Onderzoekers mogen er niet alleen voor staan wanneer ze bedreigd worden.”

Nederland biedt een interessant voorbeeld. Met WetenschapVeilig bestaat er een centraal meld- en adviespunt voor wetenschappers die te maken krijgen met bedreiging of intimidatie. Voor onderzoekers die in hun eigen land niet meer veilig kunnen werken, bestaan daarnaast internationale initiatieven zoals PAUSE in Frankrijk, de Philipp Schwartz Initiative in Duitsland en Scholars at Risk.

En Vlaanderen?

Hoe staat Vlaanderen ervoor? Daar hebben we vandaag nog geen volledig beeld van.

Volgens Vannetelbosch zou het daarom interessant zijn om ook hier systematisch te onderzoeken hoe vrij en veilig wetenschappers zich voelen. Hoe vaak krijgen onderzoekers te maken met bedreigingen of intimidatie? Worden zulke incidenten bijgehouden? Weten wetenschappers waar ze terechtkunnen? Voelen ze zich vrij om gevoelige of controversiële onderwerpen te onderzoeken?

“De interessantste vragen zijn vaak niet de meest comfortabele.”

Dat betekent niet dat Vlaanderen met uitzonderlijk grote problemen kampt. Wel dat ook een sterk uitgebouwd wetenschapssysteem er baat bij heeft zichzelf regelmatig kritisch te bekijken.

De UNESCO Assessment Tool kan daarbij helpen. Vannetelbosch zou daarom niet meteen beginnen met nieuwe regels. Eerst moet duidelijk worden waar de echte noden en mogelijke hiaten zitten. Pas daarna kun je bepalen welke maatregelen nodig zijn.

De grens tussen vrijheid en veiligheid

Er speelt vandaag nog een andere discussie. Overheden en universiteiten besteden steeds meer aandacht aan onderzoeksveiligheid. Sommige kennis en technologie kan bijvoorbeeld ook militair worden gebruikt of terechtkomen bij spelers die er misbruik van maken.

Dat zijn reële risico’s. Maar maatregelen om de veiligheid van onderzoek te vergroten, kunnen ook te ver gaan. Te brede regels kunnen internationale samenwerking moeilijker maken of onderzoekers ontmoedigen om rond bepaalde thema’s te werken.

Veiligheidsmaatregelen moeten daarom duidelijk, goed onderbouwd en in verhouding tot het risico zijn. Ze mogen wetenschappelijk onderzoek niet meer beperken dan nodig is.

Vrijheid en veiligheid hoeven elkaar dus niet uit te sluiten. Onderzoekers moeten vrij kunnen denken, samenwerken en kennis delen. Tegelijk moeten overheden en instellingen echte veiligheidsrisico’s kunnen aanpakken.

Vergeet de conflictgebieden niet

In conflictgebieden wordt bijzonder duidelijk wat er gebeurt wanneer niet alleen individuele wetenschappers, maar een volledig onderzoekslandschap onder druk komt te staan. Laboratoria raken beschadigd of zijn niet meer bereikbaar. Onderzoekers moeten hun werk onderbreken of het land verlaten. Apparatuur, kennis en samenwerkingen kunnen verloren gaan.

Dit is ook belangrijk in de periode na het conflict. Een land heeft wetenschap ook nodig om daarna opnieuw op te bouwen. Gezondheidszorg, onderwijs, milieubeheer, innovatie en economisch herstel steunen allemaal op kennis en expertise.

Daarom werkt UNESCO met een Action Plan for Science in Ukraine. Vlaanderen behoorde tot de eerste ondersteuners daarvan. De Vlaamse bijdrage ondersteunt onder meer initiatieven die Oekraïense wetenschappers vanop afstand toegang geven tot laboratoriumapparatuur en helpt een forum op te zetten waar spelers uit wetenschap, technologie en innovatie elkaar kunnen ontmoeten en ideeën kunnen uitwisselen.

Uiteindelijk gaat dit debat over meer dan wetenschappers alleen. Als onderzoekers bepaalde vragen niet meer durven stellen, resultaten niet publiceren of zich uit het publieke debat terugtrekken, verliest ook de samenleving kennis.

Wetenschappelijke vrijheid is dus geen vanzelfsprekendheid. Ze vraagt blijvende aandacht, ook wanneer alles op het eerste gezicht goed geregeld lijkt.