Vijf belangrijke conclusies
1. Er is vooruitgang. Wereldwijd ondersteunen steeds meer beleidsmaatregelen werkgelegenheid, sociale bescherming, opleiding, vakbonden en wettelijke garanties voor artistieke vrijheid. Samenwerking tussen cultuurministeries en andere beleidsdomeinen neemt toe.
2. De waardering voor de economische bijdrage van cultuur neemt toe. Na onderwijs zijn handel, financiën en economische departementen vandaag de belangrijkste partners van cultuurministeries. Samenwerking met innovatie, gezondheid, burgerschap, gelijkheid en milieu blijft daarbij achter. Cultuur wordt vaker gezien als motor van economische resultaten, terwijl sociale verwachtingen stabiel blijven en milieudoelstellingen aan belang verliezen.
3. Tegelijk blijft de wereldwijde investering in cultuur laag, met minder dan 0,6% van het bbp. Ontwikkelingslanden verhoogden hun overheidsuitgaven voor cultuur sinds 2018, terwijl deze in ontwikkelde landen sinds 2014 stagneren of dalen. Recente besparingen treffen programma’s van het maatschappelijk middenveld rond mensenrechten, gendergelijkheid en inclusie.
4. Indirecte overheidsuitgaven, zoals fiscale stimulansen, worden een steeds belangrijker beleidsinstrument. In sommige landen overtreffen deze indirecte uitgaven inmiddels de kernfinanciering van nationale cultuurministeries. Dat roept een fundamentele vraag op: wordt cultuur behandeld als een publiek goed of als een marktgerichte sector?
5. De digitale transformatie domineert de beleidsagenda's.
- 85% van de cultuurministeries werkt rond digitale transitie
- Digitale inkomsten vertegenwoordigen 35% van de inkomsten van muziekmakers
- 79% van de cultuurprofessionals ziet AI als een bedreiging
- Maar: van de 148 AI-wetten wereldwijd plaatst slechts één cultuur centraal